25 — 29.05
De chada, met haar opvallende spits en gouden kleur, is bedoeld om op de kroon van de Thaise koning te lijken, een heilig symbool van koningschap en goddelijkheid. Maar wat als de chada geen kroon voorstelde? Choreograaf Thanapol Virulhakul laat vier performers het voorwerp onderzoeken. Niet de geschiedenis ervan, maar de vorm en het gewicht sturen hun bewegingen, alsof ze er voor het eerst mee in aanraking komen.
Ze tasten de contouren af met hun lichamen, en schudden de hangers los. Virulhakul zet zijn eerdere onderzoek rond fetisjisme – waarbij genot wordt gedicteerd door een object – voort en verbeeldt nieuwe, radicale relaties met de chada. Het object gaat van hand tot hand in een gezamenlijke daad van subversie, een klein democratisch gebaar – en wordt zo een lichamelijk attribuut, een instrument, een megafoon. Het leidt de dansers naar sensuele bijeenkomsten, of barricades, een verwijzing naar de recente politieke onrust in Thailand.
De performers worden kameraden, hun schaduwen versmelten tot één massa en de kroon lost op in het sociale lichaam. Met Lenins idee van revolutie als een wonder in het achterhoofd, creëert Virulhakul – zich volledig bewust van de politieke lading – een uitzonderlijke performance waarin de chada tegelijk achteloos en met grote zorg wordt behandeld.
COMRADE (KAMERAAD)
Kameraadschap vormt in dit werk een radicale breuk met conventionele opvattingen over eenheid. In plaats van te ontstaan uit gedeelde doelen of gecoördineerde actie, ontvouwt het zich hier via een choreografische logica van vervanging. De beweging van de ene danser wordt niet simpelweg nagebootst, maar overgenomen, getransformeerd en voortgezet door een andere danser. Het resultaat is een fragiele, wankelende continuïteit – een collectief lichaam dat nooit compleet is, maar altijd in beweging, altijd in wording. Gebaren worden niet eensgezind doorgegeven, maar via onderbreking en voortzetting: een klappende hand verandert in een draaiende romp; een opgetilde voet maakt plaats voor een schouder. Uit deze overlappende, geleende impulsen ontstaat een ritme dat individuele grenzen doet oplossen in een veranderlijke verzameling lichamen – elk uniek en op zich staand, maar toch diep met elkaar verweven.
In tegenstelling tot typische collectieven die steunen op harmonie of wederzijdse overeenstemming, versmelten deze kameraden in elkaars tijd, ruimte en anatomie. Kameraadschap geldt hier niet als eenheid, maar als een voortdurend in stand houden van wat anders zou verdwijnen.
MIRACLE (WONDER)
Deze unieke invulling van kameraadschap vormt de centrale stelling van het project: revolutie is een wonder. Deze nevenschikking daagt de gangbare opvatting uit dat religie en geloof obstakels vormen voor de strijd. Wat als revolutie werkelijk een wonder is, en niet slechts een weerspiegeling van verzet tegen onderdrukking of een opstand van de massa?
Thanapol Virulhakul liet zich inspireren door Lenins uitspraak over revolutie en wonderen en ging op zoek naar de ware aard van revolutie en het verloop ervan. Wat gebeurt er als revolutionaire acties ‘opgevoerd’ worden als een collectief wonder?
Een wonder is niet goddelijk, maar onwaarschijnlijk – een breuk in de bestaande orde. In deze voorstelling is het wonder geen plotselinge verlossing, maar een langzaam, collectief wordingsproces. Net als een revolutie steunt de choreografie op onstabiele volharding, op bewegingen die weigeren te verdwijnen doordat ze onafgebroken worden voortgezet, hervormd en vernieuwd. De fragiele continuïteit van de dansers weerspiegelt de veerkracht van de revolutionaire strijd: niet verenigd, maar in stand gehouden door voortdurende aanpassing en de wil om door te gaan. Het wonder schuilt in hoe een transformerende kracht – in staat om datgene wat onveranderlijk lijkt te ontwrichten – kan voortkomen uit dit wankele, gedecentraliseerde en onvoltooide collectieve lichaam.
CURSE (VLOEK)
Terwijl de choreografie een wankele continuïteit is, blijft de chada (traditionele Thaise hoofdtooi) onveranderlijk – een vast punt omringd door een lichaam dat allesbehalve stil staat.
Net als de machtsinstellingen in Thailand staat de chada ontegensprekelijk symbool voor heiligheid, gerechtigheid en een gerespecteerd nalatenschap. Strikte gedragsregels bepalen hoe ermee wordt omgegaan, elke overtreding leidt tot sociale bestraffing en morele schande.
Traditioneel behoort de chada toe aan één enkel lichaam en dient ze om status, heiligheid of autoriteit aan te duiden. In dit werk wordt de kroon echter nooit bezeten, nooit gedragen. De chada wordt benaderd, omringd en verplaatst door een veranderlijk en collectief lichaam. Elke ontmoeting ermee – gedeeltelijk, geïmproviseerd, onvoltooid – geeft het voorwerp een nieuwe, fluïde betekenis. Het wordt niet van hand tot hand doorgegeven, maar langzaam opgenomen in het ritme van vervanging, gevormd door nabijheid in plaats van bezit. In deze ruimte staat de chada niet langer op zichzelf; ze wordt langzaam getransformeerd door een collectieve aanwezigheid en beweging.
Geschreven door Thanapol Virulhakul en Sasapin Siriwanij
***
Thailand heeft de afgelopen jaren grote politieke onrust gekend. In 2020 werden massale demonstraties, die een hervorming van de monarchie en meer democratie eisten, hardhandig neergeslagen door de staat, wat zelfs leidde tot de afkondiging van de noodtoestand. Terwijl de monarchie zich profileert als een nationaal symbool dat wettelijk en cultureel wordt beschermd, eisten golven van studenten- en burgerprotesten meer politieke openheid en transparantie. De Thaise regering, gevormd na militaire coups (zoals in 2014), getuigt van een lange en turbulente geschiedenis tussen de monarchale orde en de eisen van de bevolking. In deze presentatie functioneren staat, macht en lichaam als geleefde en geabsorbeerde materialiteiten.
Thanapol lichtte het creatieve proces toe dat volgens een werkwijze verloopt die in het teken staat van ontvangen, doorgeven, herschikken, vervangen en heroriënteren. Door oog te hebben voor de sociale ervaring, kan deze op een performatieve manier verwerkt worden. Bestaande spanningen worden opgevangen en doorgegeven als dramaturgische energie, lichamelijke prioriteiten worden herschikt en materiële posities vervangen om tot nieuwe betekenissen te komen. Ook de ruimtelijke en temporele relaties tussen het publiek en het werk krijgen zo opnieuw vorm.
In de tweede fase – de performance zelf – kreeg deze toelichting concreet vorm. De performers bewogen heel langzaam, elk met een kleine aansteker in de hand. Deze fungeerde als een onbeduidend object dat om aandacht vroeg: kwetsbaar, vederlicht en drager van potentieel. Wanneer een aansteker uit de hand van een performer gleed, volgde er geen dramatisering of correctie. De val creëerde juist tijd – een ruimte waarin seconden voelbaar worden uitgerekt, vastgehouden en losgelaten, waardoor de verbeelding van het publiek werd geprikkeld.
Soms bewogen de performers zich in verschillende snelheden. Sommigen bleven bij elkaar in een trage collectieve formatie, terwijl anderen het ritme doorbraken, afstand namen of in andere richtingen draaiden. Hun bewegingen waren niet uniform. Hun ritmes waren niet synchroon. De lichamen leken puntjes op een kaart – bewegend langs zijwegen, afwijkend van de uitgestippelde route zonder zich volledig af te scheuren. Deze asynchronie creëerde geen wanorde, maar een andere vorm van samenzijn: een collectiviteit die geen gelijktijdigheid vereist, maar verschillende ritmes naast elkaar laat bestaan.
Het materieel en symbolisch sterkste moment ontstond toen de performers zich naar drie kronen begaven die op metalen zuilen waren gemonteerd – massief, hoog en schijnbaar onbeweeglijk. Er was geen teken van verzet. Ze naderden de kronen met een uiterst beheerst ritme – duidelijk niet het ritme van de macht. De kronen werden vervolgens vastgenomen en op ongebruikelijke lichaamsdelen geplaatst: op de mond, de borst, de taille, de voeten. De kroon, die lange tijd alleen op het hoofd als legitiem werd beschouwd, onderging hier een betekenisverschuiving door te worden aangeraakt, vastgehouden en verplaatst.
Ik zag in deze handeling geen ontheiliging van symbolen, maar een choreografisch werk dat de relatie tussen lichaam en macht heronderhandelt. De kronen werden zwaar, verstoorden het evenwicht en dwongen het lichaam zich aan te passen. De macht werd niet omvergeworpen; ze werd opgeschort. Haar kracht werd in bedwang gehouden. Haar uitstraling verzwakte. Door de duur van aanraking en beweging te verlengen, creëerden de performers een andere tijd – een tijd die het heden ontoereikend maakt, te beperkt en te doordrenkt van angst en versnelling.
- Fragmenten uit Deferring the Miracle: Notes from “Comrade, Miracle, Curse” geschreven door Taufik Darwis in het kader van een discursief-performatieve presentatie van het stuk tijdens YPAM (Yokohama International Performing Arts Meeting) in Japan, december 2025
- Taufik Darwis is een in Bandung gevestigde curator, dramaturg en performancekunstenaar. Hij is een van de oprichters van de BPAF Foundation en de Dramaturgy Assembly, en een van de eerste leden van het Garasi Performance Institute. Hij was de initiatiefnemer van Pseudo-Entertainment, een platform voor praktijkonderzoek en performancein Bandung.
- Vertalingen door Mats Minnaert
25.05
- 21:00
- + aftertalk gemodereerd door Daniel Blanga Gubbay (EN)
26.05
- 21:00
27.05
- 21:00
28.05
- 21:00
29.05
- 21:00
Presentatie: Kunstenfestivaldesarts, La Bellone
Concept en choreografie: Thanapol Virulhakul | Performers en collectieve choreografie: Paopoom Chiwarak, Thongchai Pimapunsri, Surat Kaewseekram, Wayla Vawynn, Geesten en Niet-menselijke wezens | Art direction: Pornpan Arayaveerasid | Kostuumontwerp: Nicha Buranasamrit | Beeldarchief en -onderzoek: Withit Chanthamarit, Kanitpannee Nimsrithong, Paopoom Chiwarak, Thanapol Virulhakul | Technisch medewerker: Piti Boonsom | Stage- en projectmanager: Peerapol Kijreunpiromsuk | Producent: Sasapin Siriwanij
In opdracht van Ghost Foundation, OPEN FIELD en BACKROOM | Met dank aan Buffalo Bridge Gallery, DuckUnit, Solid