27 — 30.05
Bâtir ontstond uit een verontrustende vaststelling van Salim Djaferi: de opvallende gelijkenis tussen de wijk in Seine-Saint-Denis waar hij opgroeide, en de woonwijken die in de jaren ‘50 in Frans Algerije werden gebouwd. Na het succes van Koulounisation, waarin hij de relatie tussen taal en kolonisatie onderzocht, buigt Djaferi zich nu over de verbanden tussen kolonie en voorstad, en in bredere zin tussen ras en ruimte.
In Djaferi’s documentair theater spelen documenten een centrale rol. Alleen op scène reconstrueert hij zijn onderzoek: zonder hiërarchisch onderscheid combineert hij publieke archieven over sociale huisvesting met persoonlijke verhalen, verzameld bij naasten en bewoners die hij op het podium vertolkt. Hij belichaamt als het ware de archieven die niet alleen het gewicht van deze verhalen dragen, maar ook hun stilzwijgen. Wat verbergen ze van de levens die ze geacht worden te documenteren?
Via een spel met het publiek onderzoekt Djaferi hoe sociale huisvesting vanaf het begin werd bekeken door een raciale lens, zonder dat dit ooit werd benoemd. Bâtir tracht de koloniale erfenis te ontmantelen die onzichtbare muren in onze identiteiten heeft opgetrokken. Door onze manieren van wonen in de stad én op het podium te bevragen, toont de voorstelling hoe de scène een levendige werf voor verandering wordt.
Interview met Salim Djaferi
De toren stort in, zonder veel kabaal. Geen spectaculaire explosie, geen stofwolk zoals je die op het nieuws ziet. In de Cité des Beaudottes, een wijk in de gemeente Sevran ten noordoosten van Parijs, gebeurt de sloop stap voor stap: een enorme mechanische kaak vreet het gebouw verdieping per verdieping weg. “Je ziet werkelijk hoe de appartementen worden opgegeten”, zegt Salim Djaferi. Een fascinerend tafereel, vanuit technisch oogpunt.
Djaferi is die dag op bezoek bij zijn moeder en tante in Les Beaudottes, de grote sociale woonwijk waar hij een deel van zijn jeugd doorbracht. De wijk, waarvan de bouw begon in de jaren vijftig, ligt in Seine-Saint-Denis en is bekend om haar geïsoleerde ligging, de hoge concentratie sociale woningen en, later, om de intense media-aandacht die ze kreeg. De wijk werd lange tijd op afstand van de stad gehouden, maar vandaag, met het Grand Paris-project, is ze in volle transformatie. De metro komt er eindelijk, maar voor velen te laat.
Djaferi is hier niet alleen als voormalig bewoner. Als acteur, auteur en regisseur, die tegenwoordig in Brussel woont, maakt hij al enkele jaren documentair theater, gebaseerd op veldonderzoek, archieven en ontmoetingen. Hij werd bekend met Koulounisation, een voorstelling over de Franse kolonisatie in Algerije, verteld vanuit het perspectief van taal. Hij kijkt toe hoe zijn toren wordt gesloopt, luistert, en maakt aantekeningen. Wat hij in Les Beaudottes ziet, voedt Bâtir, een nieuw documentair project dat in 2023 van start ging, en waarin Djaferi onderzoekt hoe de grote wooncomplexen de Franse sociale en politieke geschiedenis weerspiegelen.
Normaliseren
“Een afgevaardigde van het Grand Paris-project legde me uit dat ze de wijk willen ‘normaliseren’, een woord dat ik ontzettend wrang vond.” Normaliseren: conform maken, bewoonbaar maken, uitwissen wat afwijkt. Voor Djaferi zegt het woord alles. Normaliseren betekent een toren slopen en er een nieuwe, duurdere en meer ‘gemengde’ versie voor in de plaats bouwen, maar dan zonder de mensen die er voordien woonden. “Bijna 70% van de bewoners is verderop geherhuisvest, waar er geen metro is. Net nu er eindelijk toegang komt tot openbare diensten, vervoer en sportfaciliteiten, wordt iedereen eruit gezet.”
“Als je in een sociale huurwoning woont, weet je dat ze ermee kunnen doen wat ze willen. Ze kan van de ene op de andere dag worden gesloopt, en jij mag oprotten. Al je herinneringen worden gewist zonder dat er een haan naar kraait.” Erger nog: deze uitwissing wordt in scène gezet en gerechtvaardigd door officiële instanties.
De geschiedenis van de sociale woningbouw vastleggen
“Sinds de sloppenwijken van de jaren 1950 leeft het idee dat woningen van mensen met een migratieachtergrond vanzelfsprekend tijdelijk en vervangbaar zijn”, vertelt Djaferi. “We moeten dringend de geschiedenis van deze plekken vastleggen zodat hun fysieke verdwijning niet ook al de rest uitwist.”
Tijdens de Rencontres de la photographie d’Arles in 2019 bezoekt Djaferi een expo gewijd aan het werk van Fernand Pouillon, architect van talrijke wooncomplexen. “Die foto’s katapulteerden me terug naar mijn kindertijd.” De kunstwereld is geïnteresseerd in deze grote wooncomplexen, in deze architectuur en deze vorm van wonen. “Op de een of andere manier was de kunstwereld geïnteresseerd in ‘ons’.” Alleen tonen de foto’s niet de Parijse banlieues, maar de grote sociale wooncomplexen in Algerije, aan de rand van Algiers. “Ik wist niet eens dat er daar ook sociale wooncomplexen stonden, en dat ze zo hard leken op de wooncomplexen die ik hier had gekend.”
Een ontdekking die hem des te meer verontrust omdat hij als kind nauwelijks in Algerije was geweest. In de zomer liep de cité leeg en bleef hij achter. Uiteindelijk brengt het schrijven van zijn eerste voorstelling Koulounisation hem er jaren later naartoe, in het kader van zijn onderzoek.
Hij groeide op omringd door Algerijnen, een homogeniteit die hij op dat moment niet in vraag stelde. “Als kind droomde ik er nooit van om de wijk te verlaten. Het was er vol liefde en solidariteit. Je gaat naar buiten, je ziet je vrienden. Je voelt geen ongelijkheid. Pas later komen de vragen. Waarom die afstand tot de rest van de stad?”
Na verloop van tijd, mede door zijn onderzoek, wordt zijn intuïtie bevestigd. “Architecten en prefecten importeerden een specifieke kijk op wonen uit koloniaal Algerije, een manier om een bepaalde levenswijze op te leggen, en vooral: om te wonen zonder de ander, weg van de ander. We hebben de immigrant nodig, maar we willen hem niet per se tegen het lijf lopen.” Djaferi herinnert zich dat in het begin, in de jaren 1950, de grote wooncomplexen in Frankrijk goed nieuws betekenden; ze brachten moderniteit en comfort. Maar ze waren bestemd voor een witte middenklasse. De bevolkingsgroepen uit de voormalige koloniën woonden in sloppenwijken of hadden een tijdelijk onderkomen.
Zijn moeder ervaarde het aan den lijve. “Ze zei tegen me: ‘Ik heb het gevoel dat dit gebouw is opgetrokken in afwachting van iets anders.’” Officieel waren deze woningen tijdelijk, maar ze bleven bestaan. Ze waren ook tijdelijk omdat de bewoners geacht werden de Franse cultuur over te nemen. Als Salim zijn moeder vraagt waarom ze in deze of gene wijk woonde, antwoordt ze: “Zo ging dat nu eenmaal.” Maar de archieven vertellen een ander verhaal.
In de loop van zijn onderzoek wordt zijn voorgevoel bevestigd dankzij een ontmoeting met Janoé Vulbeau, een Franse socioloog die de geschiedenis van de sociale woningbouw in Roubaix onderzoekt. Hij bracht de herhuisvestingsmechanismen uit de jaren zestig en zeventig in kaart en toonde aan dat er bij de toewijzing van woningen sprake was van rassensegregatie, zonder dat dit ooit expliciet werd benoemd. In Roubaix worden de sloppenwijken gesloopt, worden mensen geherhuisvest, maar worden ze ook geklasseerd. “Er worden labels toegekend, van A tot D, op basis van de afstand tot de Franse cultuur; een goocheltruc van de Franse staat. Er wordt altijd gesproken over cultuur, nooit over ras.” vat Djaferi samen.
De cité is overal
In Les Beaudottes in de jaren 1980, de periode waarin Djaferi opgroeide, was dit proces al ver gevorderd. “Er was een sterke segregatie.” Daarna volgde het ‘deconcentratiebeleid’ dat mensen bleef klasseren maar op een andere manier, namelijk op basis van veronderstelde nationaliteit of woningtype. “F5’s (4 slaapkamers, red.) werken sociale problemen in de hand, zo werd dan gezegd. Het draait nog steeds om ras, maar dan anders verwoord.”
Ook als je de cité verlaat, blijft ze je achtervolgen. In Brussel, waar Djaferi nu woont, ziet hij andere stedelijke configuraties. Sociale woonwijken zijn er vaak geïntegreerd in het stadsweefsel, niet afgesneden door snelwegen of drukke verkeersassen. “Stedenbouwkundig gezien is dat veel positiever.” Maar al snel leidde zijn onderzoek hem naar een andere piste. “Ik besefte dat het niet enkel een kwestie van architectuur en stedenbouw was.”
In het lager gelegen deel van Vorst, waar hij een tijdje woonde, kwam hij in contact met tieners die niet in een sociale woonwijk maar in rijtjeshuizen wonen, waarvan de gevels lijken op die in de meer gegoede wijken van Sint-Gillis, een paar straten verderop. Ze gingen in gesprek over politiegeweld. “Het is overduidelijk dat het hier precies om hetzelfde fenomeen van stigmatisering, identiteitscontroles en dagelijkse arrestaties gaat”, zegt Djaferi. “Deze jongeren maken hetzelfde mee als de jongeren in de cités, waar het om draait is steeds weer racialisering.” Bâtir is ook het resultaat van dat besef.
- Fragmenten uit een interview afgenomen door Sophie Soukias, verschenen op 28 januari 2026 in BRUZZ
- Vertaald door Stephanie Lemmens
27.05
- 19:00
29.05
- 20:00
- + aftertalk gemodereerd door Léa Drouet (FR)
30.05
Presentatie: Kunstenfestivaldesarts, Théâtre National
Concept: Salim Djaferi | Vertolking: Salim Djaferi, Sasha Martelli | Regie: Salim Djaferi, Clément Papachristou | Tekst: Marie Alié, Salim Djaferi, Clément Papachristou | Documentatie en artistieke samenwerking: Hanna El Fakir | Regie en enscenering: Sasha Martelli | Dramaturgie: Adeline Rosenstein | Medewerking onderzoek: Janoé Vulbeau | Scenografie: Justine Bougerol, Silvio Palomo | Lichtontwerp en technische leiding: Laurie Fouvet | Bewegingscoach: Sophie Melis | Geluidsontwerp: Maïa Blondeau | Podium- en geluidstechniek: Alice Spenlé in samenwerking met Yorrick Detroy, Nicolas Marty | Regieassistentie en artistieke coördinatie: Hanna El Fakir, Skandar Kazan Seckar | Kostuums: Silvia Rith Hasenclever | Ondersteuning, productie en spreiding: Habemus Papam (Cora-Line Lefèvre, Rosine Louviaux, Alix Maraval, Apolline Paquet)
Uitvoerend producent: Habemus Papam | Coproductie: Kunstenfestivaldesarts, Théâtre National Wallonie-Bruxelles, Les Halles de Schaerbeek, Comédie de Saint-Etienne, Théâtre Public de Montreuil, La Machinerie, Maison de la Culture de Tournai, Théâtre de Namur, Théâtre de la Croix-Rousse, Points Communs, Théâtre Joliette, Les Célestins - Théâtre de Lyon, Coop asbl en Shelter prod
Met de steun van de Service des arts vivants van de Fédération Wallonie-Bruxelles, La Bellone, Wallonie-Bruxelles International, Institut français d’Algérie, Wallonie-Bruxelles Théâtre Danse, taxshelter.be, ING en de Tax Shelter van de Belgische Federale Overheid