20 — 23.05

Leu Wijee, Mio Ishida Palu-Yogyakarta-Chigasaki

RIDDEN

dans

Théâtre Les Tanneurs

Aankomst met rolstoel te melden bij reservatie online of via het ticketbureauToegankelijk voor rolstoelgebruikersZitplaatsen zonder rugleuning | ⧖ 1h | €20 / €16

Wat gebeurt er met het lichaam als instorting geen uitzondering meer is, maar een permanente toestand? Choreograaf Leu Wijee onderzoekt de impact van natuurrampen op het dagelijks leven, en hoe lichamen en landschappen omgaan met schokken, herinnering en vernieuwing.

Wijee groeide op in Indonesië, een land dat steeds zwaarder wordt getroffen door de stijgende zeespiegel en de opwarming van de aarde. Zijn geboortedorp in Centraal-Sulawesi werd in 2018 verwoest door een aardbeving en een grondverzakking. Een ontmoeting met dansartieste Mio Ishida, met wie hij RIDDEN maakte, gaf zijn onderzoek een nieuwe richting. Zij verkent in haar praktijk de relatie tussen lichamen, objecten en de stedelijke landschappen van Tokio en Chigasaki.

Vijf performers laten zich inspireren door persoonlijke ervaringen en verhalen verzameld in Japan en Indonesië. Via zweet en uithoudingsvermogen ontwikkelen hun lichamen een magnetische kracht en worden ze levende getuigen van overstromingen en seismische breuken. Ze creëren een hypnotiserende, ritmische choreografie die het publiek in een meditatieve en tegelijk explosieve staat brengt. RIDDEN, dit jaar voor het eerst te zien in Europa, houdt het midden tussen dans, ritueel, sportieve en muzikale performance. Een ecologische reflectie op de absurditeit van een permanente overlevingsstrijd.

read more

RIDDEN

Allereerst willen Mio en ik benadrukken dat RIDDEN ons eerste grote project is. De afgelopen jaren hebben we het stap voor stap ontwikkeld, materiaal verzameld, ideeën uitgewisseld en feedback gekregen, onder meer via work-in-progress-presentaties in verschillende steden in Azië. Dit alles heeft de richting van het werk bepaald, met als hoogtepunt de première tijdens het Indonesian Dance Festival 2024 in Jakarta.

De oorsprong van het project dateert van 28 september 2018, toen Centraal-Sulawesi in Indonesië werd getroffen door een drievoudige ramp: een aardbeving, een aardverschuiving en een tsunami. Ik was er op dat moment niet. Ik was in Sorong, Zuidwest-Papoea, voor een hiphop-
evenement. Ik hoorde pas van de ramp toen vrienden mij kwamen vertellen wat er was gebeurd. Doordat de communicatienetwerken waren uitgevallen, kon ik geen contact opnemen met mijn vrienden en familie ter plekke.

In die onzekere dagen voelde ik dat ik de stad wilde ontvluchten. Ik bracht tijd door aan zee bij de familie van mijn Papoease vriend, een familie van vissers. Op een kleine houten boot, omringd door de uitgestrektheid van de oceaan, gaf ik me over aan het ritmische deinen van de golven, eindeloos op en neer. Ik dacht aan mijn geboortestad en besefte dat ik de situatie nog niet goed kon bevatten.

Zes maanden later, in 2019, keerde ik terug naar Palu en de stad was nog steeds een puinhoop. Overal waren sporen van de ramp te zien: winkels en pakhuizen waren geplunderd, donaties waren deels verduisterd, bomen en verkeersborden lagen tegen huizen aan, en mensen reageerden erg gevoelig op het minste geluid.

Naast wat ik al zag in het nieuws, was ik ook getuige van de gevolgen van bodemverzakking, iets waar zelden over wordt gesproken of bericht. Het gaat om een uit-
gestrekt gebied waar de grond zijn vastheid heeft verloren, zowel ten westen als ten oosten van Palu, waardoor de ondergrond onstabiel is geworden. Onze voorouders zeiden: “Lang geleden waren dit waterrijke gebieden; voormalige moerassen en rivieren.” Zij geloven dat deze gebieden hun plaats weer zullen opeisen zodra de natuur uit balans raakt.

In deze gebieden, waar de grond nog steeds schommelt tussen vast en vloeibaar, zag ik gevaarlijke overlevingsstrategieën ontstaan: men gaat op zoek naar verloren schatten die onder het puin begraven liggen. Sommigen vinden goud, mobiele telefoons, antiek en zelfs geldautomaten. Op een dag viel deze activiteit toevallig samen met de gebedsdag van verschillende religieuze groeperingen. Het landschap leek niet langer een duidelijke scheiding te vormen tussen overleven en ritueel, maar een toestand waarin beide met elkaar versmolten. Mensen, nog steeds uiterst op hun hoede, betraden voorzichtig de grond, alsof ze de stabiliteit wilden testen, en begonnen dan te graven. Op een gegeven moment klonken er gongs, zongen mensen, werden er gebeden voor de doden uitgesproken, gevolgd door het woord ‘aamiin’ (amen).

In een ander gebied, dat als veiliger werd beschouwd, heerste een ander ritme. Mensen waren bezig met schoonmaken, heropbouwen en het herinrichten van de omgeving. Daar was een ander geluid te horen: chaotisch, galmend, gelaagd. Een terugkerend element was het gebruik van bezemstelen, alledaagse gebruiksvoorwerpen gemaakt van een bundel gedroogde kokospalmtakken. Ze zijn alomtegenwoordig in Indonesië en worden gebruikt om zowel binnens- als buitenshuis schoon te maken, en soms ook als materiaal voor dakbedekking. In sommige culturen worden ze gebruikt om boze geesten te verjagen. Bezemstelen zijn ook vaak te zien in grote demonstraties, waar ze ondersteboven worden vastgehouden door vrouwen of ‘ibu-ibu’ (moeders).

Ik ben in 2020 begonnen met het ontwikkelen van dit materiaal in mijn geboortestad, waar ik tijdens de coronacrisis mijn eetkamer tot een klein atelier heb omgebouwd. In die fase was het de bedoeling om mijn ervaringen en observaties simpelweg via dans vast te leggen. Ik ben opgegroeid in de Indonesische danswereld en ben me gaan realiseren dat veel traditionele dansen een weerspiegeling zijn van tijd, plaats, ethiek, politiek, gebeurtenissen en waarden – niet als starre voorstellingen, maar als veranderlijke vormen die zich blijven ontwikkelen.

Het werk kreeg een nieuwe impuls dankzij de samenwerking met dansartieste Mio Ishida. We ontmoetten elkaar voor het eerst in Tokio in 2021, en sindsdien heeft het proces zich verder ontwikkeld via persoonlijke ontmoetingen en communicatie op afstand, vaak in gebrekkig Engels. Mio’s aanpak bestaat erin activiteiten te bedenken die we samen bespreken en uitvoeren – of ze nu direct of indirect aansluiten bij het project, zolang ze maar het potentieel hebben om de evolutie ervan te ondersteunen. Het gaat dan onder meer over het persoonlijk uitvoeren van bewegingsonderzoek, zowel in Japan als in Indonesië. Ze vestigde mijn aandacht ook op karton. In Japan wordt karton op grote schaal gebruikt als een milieuvriendelijke en goedkope oplossing bij rampen, als tijdelijke opvang en noodmeubilair. In evacuatiecentra kan het bijvoorbeeld makkelijk worden omgevormd tot een bed, een tafel, een scheidingswand of opbergruimte.

Mio schreef in haar dagboek: “Ik had in het begin een heel vreemde relatie met de bezemstelen, omdat Japanse bezemstelen meestal van bamboe gemaakt zijn. Maar geleidelijk aan worden ze verlengstukken van mijn lichaam en begin ik ze ook als muziekinstrumenten te zien.” Ze schreef ook: “Ik heb moeite om alles te onthouden, omdat we de beweging en de muziek tegelijkertijd creëren, dus begin ik het op te schrijven, in de vorm van onomatopeeën.” Deze aanpak heeft onze focus verlegd van repeteren naar het gelijktijdig genereren van bewegingen, geluiden en improvisatie door middel van schrijven, waardoor we met zeer beperkte productiemiddelen konden werken.

Gedurende het hele creatieproces bleef het werk zich verder ontwikkelen via verschillende lichamen en disciplines – van dansers, acteurs en beeldend kunstenaars tot muzikanten – maar ook door uitwisseling met vrienden. Oorspronkelijk heette het project The Museum. Dit veranderde nadat ik tijdens mijn bezoeken aan het huis van Helly Minarti (Indonesische onderzoekster en curatrice gespecialiseerd in dans) in Yogyakarta in het boek Das Jahrhundert des Tanzes / The Century of Dance met Boris Charmatz’ idee van het lichaam als een ‘levend archief’ in aanraking kwam. Tegelijkertijd begon ik het concept ‘museum’ in vraag te stellen, de geschiedenis en structuren erachter, en de afstand tot mijn eigen context. De titel voelde niet langer passend vanwege het ademende, onstabiele en voortdurend in beweging zijnde creatieproces. Dus besloten we om de titel te veranderen in RIDDEN. In het Indonesisch wordt dit vertaald als ‘ditunggangi’ en in het Japans als ‘瑂鋋 /
Hyoui’, een woord dat geassocieerd wordt met vreemde geesten of spoken die het lichaam bewonen, erin leven en ermee bewegen.

  • Leu Wijee
  • Vertaald door Mats Minnaert

20.05

  • 21:00

21.05

  • 20:00

22.05

  • 20:00
  • + aftertalk gemodereerd door Ula Sickle (EN)

23.05

  • 21:00

Presentatie: Kunstenfestivaldesarts, Théâtre Les Tanneurs
Performance: Bade Arrasyid, Dani S Budiman, Leu Wijee, Mio Ishida, Rheza Oktavia | Choreografie, concept en regie: Leu Wijee | Medeonderzoekster en medewerkster: Mio Ishida | Scenografie: Leu Wijee & Mio Ishida
Productie: wijeesworks | Coproductie: Indonesian Dance Festival
Het artistieke onderzoek voor deze voorstelling werd ondersteund door Jakarta Arts Council, Jakpro, Jakarta International Contemporary Dance Festival, Japan Foundation Jakarta, Kobalt Works, Indonesian Dance Festival (als deel van Indonesian Dance Festival 2024), Toko Seniman (als deel van Dalam Seniman artist in residence 2024), Taipei Performing Arts Center (als deel van ADAM - Asia Discovers Asia Meeting for Contemporary Performance / Kitchen 2023), Taitung County Government (als deel van het Taitung Fringe Festival 2023), het Indonesisch Ministerie van Onderwijs, Cultuur, Onderzoek en Technologie (als deel van Ngetest 2023), Indonesian Dance Festival in samenwerking met Japan Foundation Jakarta (als deel van Kampana of Indonesian Dance Festival 2022), Asia Performing Arts Farm (als deel van de workshop Farm-Lab Exhibition Tokyo 2021), Salihara Arts Center (als deel van Helatari 2021) en Jakarta Arts Council (als deel van Upcoming Choreographer VS Koreografi Tari 2020). Bijzondere dank aan vele vrienden en gemeenschappen in Chigasaki, Jakarta, Palu, Papoea, Taipei, Taitung en Yogyakarta die genereus en kritisch hebben bijgedragen tot de ontwikkeling van het werk.

website by lvh