À nous deux maintenant

    16/05  | 20:30
    17/05  | 20:30
    18/05  | 20:30

€ 18 / € 15 (-25/65+)
± 2h 50min
FR > NL / EN

Acteur, poppenspeler, buikspreker, danser en zanger Jonathan Capdevielle neemt graag verschillende rollen en identiteiten aan. Zijn theatrale, autobiografische werk zit gewrongen in het verstikkende keurslijf van dorps- of familieverbanden, om er uiteindelijk uit los te breken en het te ontmaskeren als bekrompen particularisme. Voor zijn nieuwste creatie haalt Capdevielle inspiratie uit een externe bron: een misdaadverhaal uit 1935, geschreven door Georges Bernanos. Un Crime onderscheidt zich van het realisme van de klassieke detectiveroman en draait om het onderzoek naar de raadselachtige figuur van de provinciale priester – een even charismatisch als verontrustend personage. Terwijl de vijf acteurs met elkaar van rol wisselen, speelt Capdevielle via de manipulatie van stemmen en geluiden met de grenzen van realiteit en fantasie. Het polyfone misdaadverhaal loopt dood op personages die niet langer betrouwbaar of geloofwaardig zijn. Ze ontbinden tot fantasmatische silhouetten en ontvouwen een hele resem nieuwe mogelijkheden en interpretaties…

Naar het boek
Un crime
van Georges Bernanos

Concept, adaptatie & regie
Jonathan Capdevielle

Met
Clémentine Baert, Jonathan Capdevielle, Dimitri Doré, Jonathan Drillet, Arthur B. Gillette (afgewisseld door Jennifer Hutt), Michèle Gurtner

Artistiek advies & regie assistente
Jonathan Drillet

Scenografie ontwerp
Nadia Lauro

Scenografie opbouw
Les ateliers de Nanterre-Amandiers (Marie Maresca, Michel Arnould, Gabriel Baca, Théodore Bailly, Mickaël Leblond)

Lichtontwerp
Patrick Riou

Geassisteerd door
David Goualou

Geluidsontwerp & muziek
Vanessa Court, Arthur B. Gillette, Jennifer Hutt, Manuel Poletti

Muziekcompositie
Arthur B. Gillette

Klank
Vanessa Court

Muziekinformatica IRCAM samenwerking
Manuel Poletti

Ontwerp & opbouw Synthétiseur Modulaire Ray
Benoit Guivarc’h

Met materiaal van
Ray Wilson

Kostuums
Colombe Lauriot Prévost

Toneelmeester
Jérôme Masson

Advies
Virginie Hammel

Productie, versprijding, administratie
Isabelle Morel, Manon Crochemore & Romane Roussel (Fabrik Cassiopée)

Met dank aan
Safia Benhaim, Marie Etchegoyen, Lundja Gillette, Laurence Viallet

Engels vertaling & ondertitelen
Harol Manning

Presentatie
Kunstenfestivaldesarts, Théâtre Varia

Uitvoerende productie
Association Poppydog

Coproductie
Le Quai CDN Angers Pays de la Loire, Nanterre – Amandiers, CDN, Festival d’Automne à Paris, CDN Orléans, manège, scène nationale-reims, Théâtre Garonne, scène européenne Toulouse, Arsenic - Centre d’art scénique contemporain (Lausanne), Le Parvis scène nationale Tarbes Pyrénées,

Ircam-Centre Pompidou (Paris)

Met de steun van
King’s Fountain

Met dank aan
CND Pantin, la Villette – Résidence d’artistes 2016, Quartz scène nationale de Brest, Montévidéo, Créations Contemporaines - Atelier de Fabrique Artistique, Institut français & de Franse Ambassade in België, in het kader van EXTRA

Jonathan Capdevielle is geassocieerd artiest bij QUAI CDN Angers Pays de la Loire Association Poppydog is gesteund door la DRAC Ile-de-France

Back to top

IK BEN MEZELF DOOR ANDEREN TE ZIJN
Gesprek met Jonathan Capdevielle

Jonathan Capdevielle, je bent acteur, zanger, danser, poppenspeler, buikspreker … Je hebt de naam een podiumkunstenaar te zijn die alles kan. Nu ben je eveneens regisseur. Wat past van dat alles het meest bij jou?
Ik heb heel onlangs mijn eigen gezelschap opgericht, samen met het productiebureau Fabrik Cassiopée, maar als ik de gemeenschappelijke regieprojecten optel bij de voorstellingen die ik in mijn eentje trok, dan heb ik sinds 2010 zes stukken gecreëerd. Nu moet ik zeggen dat die nieuwe “pijl op mijn boog” me bijzonder boeit en dat ik nog even wil uitzoeken hoever ik kan gaan in mijn ontwikkeling als regisseur.

Een woord over de imitatie, die in deze voorstelling een heel atypische rol speelt. Hou zou je die omschrijven?
De imitatie … Laten we zeggen dat die een beetje als een getuigenis is.  

Dat lijkt een paradox: moet je niet juist jezelf zijn om te getuigen?
Inderdaad, ik imiteer om te getuigen. Ik aanvaard die paradox. Ik ben mezelf door anderen te zijn. Meer bepaald: ik spreek over mezelf door mensen uit mijn omgeving te imiteren. Ik heb het over hen en, terwijl ik de schijnwerper op hen richt, heb ik het tegelijkertijd over mezelf. En het is geen variété-imitatie, mijn doel is niet de lachers op mijn hand te krijgen, waardoor om die imitatie een soort terughoudendheid hangt die de humor niet in de weg staat. Bovendien is het een imitatie die loskomt van het lichaam, ik bedoel, van het lichaam op het toneel. De imitatie dient hier om spoken aan het woord te laten; ze dissocieert zich van het lichaam. Het lichaam alleen ontvouwt andere ruimtes dan die waarin het zich doorgaans beweegt. Zo dissociëren de vorm op het toneel en de lichaamsbeweging zich – soms op een hevige, verrassende manier – van wat de stem doet.  

Je nieuwe creatie À nous deux maintenant is gebaseerd op een interpretatie van Georges Bernanos’ roman Un Crime. Wat trok je aan in dat boek?
Om te beginnen hebben twee films van Robert Bresson, Mouchette en Le Journal d’un curé de campagne, veel indruk op me gemaakt. Die filmbewerkingen laten, op verschillende manieren, zien hoe heftig het is om als kind in armoede op te groeien en die last op zijn schouders te moeten nemen. Bernanos beschrijft dat heel goed. Daarnaast ben ik in 2008 benaderd door Jean Couturier om in een hoorspel de rol te spelen van de priester van Mégère, de hoofdpersoon van de roman Un Crime. Dat was mijn eerste contact als lezer met het werk van Bernanos en dat is me bij- gebleven. Tot slot wilde ik in mijn volgende stuk iets onderzoeken dat niet autobiografisch zou zijn, ik wilde de confrontatie aangaan met de schrijfstijl van een auteur, afstand nemen van de autofictie. Ik had kunnen vertrekken van een toneelwerk, maar ik koos uiteindelijk voor een roman. Mijn voorstelling Saga had al veel weg van een roman, het was een soort familiegeschiedenis, een levensroman. En, zoals Adishatz, bevatte Saga veel waargebeurde avonturen uit mijn jeugd. In die twee stukken voer ik personages op die tekenend waren voor mijn jonge tienerjaren. Het zijn van die krachtige plattelandsfiguren, die zo uit een boek van Maupassant of Pagnol zouden kunnen komen, en die je kijk op de wereld bepalen. Die volwassenen hadden me in gevaar kunnen brengen, want ze speelden nogal gevaarlijke spelletjes waarvan ik als kind ongewild getuige was. Maar uiteindelijk hebben ze me een soort bescherming geboden. 

Denk je dat die onvoorziene prepuberteit “in de marge” bepalend is geweest voor je ontwikkeling tot kunstenaar?
Dat ik op zo jonge leeftijd in een soort crimineel milieu belandde, was zeker een katalysator voor mijn drang naar theater. Ik heb met mijn schoonbroer, zijn kinderen en mijn zus drie jaar lang een soort boevenbestaan geleid. Die unieke ervaring, die mijn naasten amper kunnen geloven als ik erover vertel – er schuilt dus echt iets achter dat het midden houdt tussen de werkelijkheid en de fantasie –, daar heb ik veel inspiratie uit geput, zoveel is zeker. Al heel vroeg maakte ik theater. Ik was tussen 11 en 14 jaar oud, en mijn zus was ook erg jong, nauwelijks 20. Ze was met die kerel, een bakker van beroep, maar een boef in hart en nieren. Het was te gek om samen met hen op te trekken: we leefden zonder echt tijdsbesef, als in een permanente borderline ervaring. Die grenzeloze vrijheid verplichtte ons om wat sneller volwassen te worden, omdat we voor onszelf moesten kunnen zorgen, en omdat ik volwassenen dingen heb horen zeggen en zien doen die ik nooit had moeten zien of horen. Later is het uitgemond in een ware familietragedie, met het ene overlijden na het andere. Het leek op een Griekse tragedie, waarin alle levenden het loodje leggen en je het moet doen met de doden, met de ziekte en de dood. Een tragedie waardoor je bakens op losse schroeven komen te staan… In ieder geval heeft het samenleven met mijn zus en mijn zwager me echt wel in de richting van het theater geduwd, ja. Ik was er dol op. Zij betaalden voor mijn lessen, en later voor mijn rijbewijs. Ze herkenden bij het kind dat ik toen was een artistieke behoefte: al heel jong was ik dol op dansen en zingen; ik imiteerde aan een stuk door, ik verzon verhalen, ensceneerde de dingen en de situaties – soms met andere kinderen. Het was natuurlijk een manier om afstand te nemen van de werkelijkheid; ik transcendeerde de harde realiteit door alles om me heen tot theater te maken.  

De aanwezigheid van een bovennatuurlijk element in Un crime heeft je wellicht geboeid …
Absoluut. Ik denk zelfs dat ik het avontuur van de bewerking voor het toneel niet had aangedurfd als dat aspect er niet in had gezeten, want het was me een onderneming! Maar het is net die link die me moed inboezemt: mijn vertrouwen in mijn intuïtie en in mijn eigen ervaringen heeft me ertoe aangezet juist dat boek van Bernanos te bewerken. Het is misschien niet het meest ingewikkelde, maar er zitten bijzonder veel sterke thema’s in, die bovendien met elkaar vervlochten zijn. 

Religie, de onduidelijke sekse van de hoofdpersoon, de beschrijving van karakteristiek figuren van het Franse plattelandsleven… Welke van die thema’s wilde je naar voren brengen?
Vooral de androgyne spilfiguur. Die heeft me echt gestimuleerd. De dubbelzinnige aantrekkingskracht van de priester, de fascinatie die hij losmaakt bij de boeren, bij die plattelandsmensen, dat doet me enorm terugdenken aan al die personages die ik heb gekend, aan hun charisma, hun invloed … Het moet gezegd dat een priester tijdens het interbellum een heel andere positie innam en meer macht had dan nu. De mensen hadden een blind vertrouwen in hem. Het fascinerende aan de jonge held van de roman is dat hij geen echte priester is. Het is een tijdloos personage dat vermomd is. Iedereen meent, onder de soutane, de dienaar Gods te zien. Door die universele soutane is het trouwens erg moeilijk om tot de – soms heel gekunstelde – persoonlijkheid van een priester door te dringen. In dit geval blijken we niet te maken te hebben met een priester, maar met de dochter van een uitgetreden pastoor, die haar moeder al van kindsbeen af van pension naar pension sleurt om haar voor de wereld verborgen te houden. Omdat ze altijd haar identiteit moest verhullen, nam ze uiteindelijk haar moeder als model. Bernanos ontleed dat imitatiegedrag tussen dochter en moeder op een sublieme én heel heftige manier! Als je het boek de eerste keer leest, sta je meestal stil bij de moorden, maar het gaat om iets veel diepers. Bernanos laat de lezer verloren lopen zoals je zelden ziet in misdaadromans: in plaats van een trechter te tekenen, trekt hij alles open. Zozeer dat de eindoplossing helemaal niet duidelijk is. Het is een enquête, dus je denkt: onderzoek, aanwijzingen, beweegreden, mis schien medeplichtigen… en, vooral: wie is de schuldige? In het begin lukt dat nog aardig, maar na een tijdje ben je echt de weg kwijt! [lacht] Eigenlijk denk ik dat hij zelf de weg is kwijtgeraakt; er zit een rare draai in. Vergeet niet dat hij dat boek aanvankelijk uit financiële overwegingen schreef. Hij had een schrijver (Simenon) als model en een onderwerp, maar hij was absoluut niet vertrouwd met de specifieke stijl van de misdaadroman. Zijn uitgeverij stuurde overigens het tweede deel terug met de boodschap: “We begrijpen er niets van, u moet wat ruimte inbouwen tussen de soutanes en het gepsychologiseer.” [lacht]. Dat is toch fantastisch! Hij zat weliswaar “tussen twee stoelen”, maar hij bouwde uiteindelijk geen ruimte in tussen de soutanes. Hij zette ze anders in: de echte priester maakte plaats voor het idee van een verklede priester. Het is allemaal zo kostelijk dat ik Bernanos in het stuk heb opgenomen, als een van de personages. [lacht] Ik laat hem op het toneel de rol spelen van de onderzoeksrechter, diegene die het onderzoek leidt. Het realisme van het onderzoek baadt in een bijna bovennatuurlijk klimaat, de nachten zijn te lang, de opklaringen te schaars en de personages raken verhit: we raken meer dan eens in dromen verzeild, goede of kwade, in hallucinaties, in een toestand tussen waken en slapen waaruit een verhaallijn opdoemt, die afstand neemt, de realiteit ter discussie stelt en tot de ontdekking van de waarheid leidt.  

In de roman voel je een permanente spanning tussen het aanvaarden dat je “gegijzeld wordt door je omgeving” en de keuze om er afstand van te nemen. Dat thema van het sociaal determinisme (dat ook al centraal stond in Adishatz) trok je wellicht enorm aan…
Het boeide me des te meer dat de centrale figuur een verliefde jonge vrouw is die vastzit in een situatie waaruit ze wil ontsnappen en daardoor constant moet improviseren. Die soutane, die wilde ze eigenlijk niet dragen. In feite kruiste haar pad per ongeluk dat van de echte priester, tijdens de vlucht na het plegen van haar eerste moord, en ze had geen andere keuze dan hem te vermoorden. Dus “verkleedt” ze zich en draagt ze dat nieuwe masker tot op het einde. Dat is deels te verklaren doordat de heldin – die de geheime dochter is van de dienstmeid van de vermoorde kasteelvrouwe en tevens de minnares van haar erfgename – een poging onderneemt om die rijke vrouw te verzoenen met haar achternicht, die ze dreigde te onterven. Deze wijdvertakte misdaadroman vormde de inspiratie voor het werk van scenografe Nadia Lauro. Ze creëerde een scènebeeld dat de vele vertakkingen en met elkaar verweven verhaallijnen van Bernanos’ tekst benadrukt: een sculptuur in de vorm van een boom die zich tot buiten het toneel vertakt. Een giftige stam, de getrouwe reproductie van een bijzondere, tweehonderdjarige boom, die tevens de ondergrond maximaal en onzichtbaar inpalmt.

Heb je stilgestaan bij de strikt religieuze kwesties?
Jazeker, maar louter in de mate dat ze gestalte krijgen in dit personage, dat zich verbergt achter diverse maskers, waarbij het masker van de religie haar laatste redmiddel is. Maar die soutane, die op het eerste gezicht haar redding is, is ook haar gevangenis en uiteindelijk haar graf. 

Ben je gelovig?
Nee. Er wordt overigens door niemand een oordeel geveld over het personage van de heldin. Haar travestie is het resultaat van puur toeval. Waar het op aankomt, is dat we in dat inderhaast door de heldin gecreëerde personage de waarheid van de leugen zien te onderscheiden. Zelfs wanneer ze het woord neemt, kaart ze andere onderwerpen aan dan de religie – die niets te maken heeft met klokkentorens. Ze heeft het veeleer over de liefde en over de verwarring van haar gevoelens, die duiden op de lang vervlogen pijn van de wieg, die volgens Bernanos “minder diep is dan het graf”. Of ik gelovig ben? Nu ja, ik geloof in bepaalde dingen, maar ik ben niet naar de catechismusles gegaan. Daarentegen ben ik wel gedoopt. Om een plek te krijgen in “de put”, om praktische overwegingen – op welke plek je op het kerkhof terechtkomt, want je mag je niet in je tuin laten begraven. [lacht] Wel ben ik vaak naar Lourdes gegaan, heel vaak zelfs – juist om die priesterfiguren te observeren die me zo fascineerden. Een bedevaart naar Lourdes is inderdaad een buitenkans om te zien hoe een stad overspoeld wordt door soutanes, kardinalen enz. en zich rekenschap te geven van de onaantastbare en mysterieuze macht die uitgaat van zo’n religieuze bijeenkomst, een macht die gestoeld is op een geloof dat voor Bernanos juist zo authentiek mogelijk moet zijn. 

Heb je het verhaal een moraal willen geven?
Geen moraal, alleen de “droom van Bernanos”. Een hopeloze hoop. Deze auteur hanteert galgenhumor en de fascinatie voor de dood op een uiterst verfijnde manier. De toekomst is geen pretje in Bernanos’ visie op zijn tijdperk en wat eraan zat te komen. Zijn kijk op de wereld was bijna profetisch. Hij schreef: “Wat mij grote angst inboezemt – God wil dat ik u deelachtig kan maken van mijn angst – is niet dat de moderne wereld alles zal vernietigen, maar dat hij geen rijkdom zal halen uit wat hij vernietigt.” Door de vernietiging verteert hij zichzelf. Deze beschaving is een beschaving van de vertering, die net zo lang zal duren als er iets te verteren valt. O, ik weet wel hoe moeilijk het is om onze beschaving in dat licht te zien, terwijl haar enige wet juist het produceren lijkt te zijn, ja zelfs het produceren tot het uiterste toe. Maar die monsterlijke productiemachine, dat buitensporig produceren is juist het teken aan de wand van de wanorde waaronder ze vroeg of laat zal bezwijken. Door te vernietigen, verteert ze zichzelf. Door te produceren, vernietigt ze zichzelf. Deze mechanische concentratiekampbeschaving produceert goederen en verslindt de mens. 

Opgetekend door Mélanie Drouère voor het Festival d’Automne in Parijs

Back to top

Jonathan Capdevielle werd geboren in 1976 in Tarbes, Frankrijk en woont in Parijs. Hij volgde een opleiding aan de École supérieure Nationale des arts de la marionnette en is een buitengewone kunstenaar, acteur, poppenspeler, buikspreker, danser en zanger. Hij maakte deel uit van verschillende voorstellingen van/met o.a. Natacha de Pontcharra, Lotfi Achour, Marielle Pinsard, David Girondin Moab. Hij werkte nauw samen met Gisèle Vienne en Étienne Bideau Rey. Gisèle Vienne, Dennis Cooper, Peter Rehberg en Jonathan Capdevielle publiceerden in 2011 het boek en de CD Jerk / À TRAVERS LEURS LARMES in het Frans en Engels bij uitgeverij DISVOIR. In 2007 maakte hij op het Festival Tanz im august in Berlijn de zang – performance Jonathan Covering. Dit stuk vormde het vertrekpunt voor Adishatz/Adieu, dat in januari 2010 in première ging op het C’est de la Danse Contemporaine festival van het Centre de Développement Chorégraphique Toulouse / Midi Pyrénées. In november 2011 presenteerde hij Popydog gemaakt in samenwerking met Marlène Saldana aan het Centre National de la Danse – Pantin en in augustus 2012 toonde hij op uitnodiging van het far°–festival des arts vivants de Nyon (Zwitserland) Spring Rolle, een in situ project met Jean-Luc Verna en Marlène Saldana. Met de voorstelling Saga begint Jonathan Capdevielle een nieuw hoofdstuk in zijn autobiografische vertelling. Hij werkt aan afleveringen van de familieroman met zijn kenschetsende emblematische personages en wendingen. Een verkenning van de grenzen tussen fictie en realiteit, tussen heden en verleden. À nous deux maintenant (november 2017) is een adaptatie van de roman Un crime van Georges Bernanos. Jonathan Capdevielle is momenteel geassocieerd kunstenaar van Quai / Centre Dramatique National d’Angers – Pays de la Loire.

Back to top